Het aanhoudende verdriet van de gepantserde walrus

February 7, 2015 Leave a comment

IMG_0276Het is een dag als geen andere. 7 februari 2015. Een dag na de elfde verjaardag van mijn jongste dochter. De wegen zijn zo glad als een bobsleebaan, de koude wind blaast ieder weldenkend mens terug de warme huiskamer in. Goddank is het weekend. Waarom besluit ik dan toch om even voor 6:40 op te staan om Misja te begeleiden naar haar werkadres 27 kilometer verderop?

Grand Café Brinkmann/ Teisterbant. Ik baan me een weg door alle rumoer naar de entresol. Ik neem plaats aan mijn vaste tafel en bestel het vaste gerecht. Twee bejaarde heren met bril met een montuur van tijgerprint nemen plaats aan de tafel naast me en bestuderen de kaart. Na lang gedraal bestellen ze. Een welgevormd meisje van een jaar of twintig loopt langs. De heren, vooral de redenaar met zijn schalkse gelaat (u kent het wel: een gezicht in de anekdotestand, zo van: “maar nu komt het”), kijken het wicht langdurig na totdat de kelner ze op een kopstoot trakteert. Aan de tafel naast me zit een jolig viertal. Vier mannen in gebleekte spijkerbroeken en verwassen houthakkershemden, de jongste is 44, de oudste 54. De oudste ziet er naar alle waarschijnlijkheid het jongst uit. De mannen fotograferen elkaar met gedateerde mobiele telefoons. De oudste zet de rechthoekige kaarshouder met waccinelichtje aan zijn mond, alsof hij uit een glas bier drinkt. De jongste pakt een tweetal glazen bier en houdt ze gelijktijdig aan zijn lippen. De man met zijn vetkuif en een gezicht waarin het gebrek aan begrip in staat gegrift maakt zichzelf onmogelijk door tijdens het jas-aan-trekken met zijn linkermouw het borrelglaasje van een van de oude heren van de tafel te stoten. Nu pas zie ik dat de heer van het verloren glaasje een duur rood lamswollen vest draagt. Zijn dunne grijze haar trilt mee op het onregelmatige ritme van zijn in verongelijktheid geslaakte ademstoten. Hij kijkt als een kleuter die net het bovenste, meest smakelijke, bolletje van zijn ijsje heeft laten vallen. De vetkuif verontschuldigt zich veelvuldig. Zodra hij het gezicht van de oude ziet laat hij zijn lamme hand vallen op de trillende schouder van zijn slachtoffer. “Sorry man.” De kelner komt langs met een vol dienblad. “Ik heb net zijn glazie laten vallen, doe hem nog maar zo 1…een…””een Korenwijn jongeman.” zegt de lamsbaard, “een Korenwijn voor meneer”, roept de weldoener, alsof hij de hele zaak een rondje cadeau doet. De kelner raapt de glasresten en de oude gaat weer zitten. Het gezelschap van vier schuifelt langzaam richting trap. “Jullie moeten nog wel afrekenen!” roept de kelner hen na. “Komt goed jongen. We hebben geld op zak!” zegt de vetkuif, terwijl de overige drie hem slaafs en woordeloos, wellicht enigszins beschonken, de trap af volgen.

Mijn inspiratie heeft zich bij het vertrekkende gezelschap gevoegd. Ik kijk op mijn klokje. Misja. Ze zal inmiddels vijf minuten op mij wachten bij de Hema, hier vijf minuten vandaan. Ik stuur haar en sms-je met de boodschap dat ik 10 minuten later ben. Frenetiek ploeg ik door mijn met papier en verpakkingsmateriaal gevulde rugzak op zoek naar mijn portemonnee. Ik stoot de menukaart van de tafel. Enkele bierviltjes belanden op de grond en de krant kreukelt onder mijn wild heen-en-weer-bewogen- rugzak. Ergens onderaan het diepe middenvak ontdek ik mijn beurs, evenals het pakje sigaretten dat Misja gisteravond gestolen waande….we bevonden ons in een cafe in de Jordaan en werden verrast door een vuurspuwer die na (buiten) zijn kunsten vertoond te hebben (binnen) om geld ging bedelen bij de vaste tafels, naast een driftig gesticulerende stamgast en een toiletjuffrouw die erg omzichtig om ons heen begon te drentelen toen haar dienst erop zat…en ik trek de kelner aan zijn mouw. “U wenst?” “de rekening wat mij betreft”. Ik trek mijn jas aan, een zwart met eendendons gevuld nylonjack met een fluorescerend gele ritssluiting, zonder een glas te raken. Ik raap de menukaart op en wankel even als ik gelijktijdig de viltjes probeer te rapen. Ik voel me even ongemakkelijk als Mugabe zich afgelopen week gevoeld moet hebben. De jonge kelner kijkt me meewarig aan. Ik hoor hem nog net geen “Laat maar, ik raap het zo wel voor je op.” zeggen. Ik laat de viltjes liggen en loop peinzend richting trap. Ik groet de mij tegemoettredende, kelner, mijn gastheer, de Kenner. Hij is zich van geen kwaad bewust. Terwijl ik de trap afwandel glijdt de rechter leuning stevig door mijn gekromde rechterhand. Een tweede (bijna-) val kan ik me niet veroorloven. Een fris meisje rekent met me af. Ik groet haar zo oprecht mogelijk en ik loop opgelucht de klapdeuren uit. Ik maak in de hal plaats voor een echtpaar op leeftijd en ik groet hen terwijl ze me met een gemaakte lach en een spottende blik teruggroeten. “Je hebt betere tijden gekend jongen” mompel ik in mezelf terwijl ik de voormalige Brinkmannpassage passeer en de Barteljorisstraat inschiet.IMG_0660

Op de hoek van de HEMA blijf ik in de kou wachten totdat het mevrouw behaagt om naar buiten te treden. Ik denk terug aan donderdagavond. Een avond die ik noodgedwongen in Amsterdam moest doorbrengen. Geen straf. Ik drentelde door de stad, zoals ik dat in mijn studententijd zo veelvuldig heb gedaan. En net als toen hield ik me vooral op bij de boekenwinkels. Net als toen werd ik uitgenodigd door mensen die me kenden van vroeger om met hen in het cafe te gaan zitten (“want we gaan toch zo weg en we hebben je al een tijd niet meer gezien, kom sjaal, drink er nog een met ons”)…en net als toen wimpelde ik deze lethargische barvliegen af met onverifieerbare argumenten. Ik bezocht boekhandel Atheneum en ik hoorde een verdieping boven me een zogenaamde Spui- lezing terwijl ik in de 80%-kortingbakken aan het struinen was. Tussen de kookboeken en de Duitse en Engelse vertalingen van Nederlands werk trof ik een in eigen beheer uitgegeven verhalenboekje van Romijn-Meijer terwijl boven me een mevrouw een verhaal hield over de ellende die haar was overkomen nadat ze een opdracht had aanvaard een bepaalde documentaire te filmen, een bepaald boek te schrijven, waar mensen, haar uitgever incluis, het niet mee eens waren. Haar uitgever stond er nu waarschijnlijk breeduit lachend bij-“wat een mal mens is het eigenlijk toch!”- denkend en -“je volgende boek breng je maar uit bij een ander”- besluitend… Op mijn stille verdieping liep een goed geklede jongen met ongekamd haar neurotisch heen en weer. Ik vermoedde dat het de zoon van de spreekster was die voor deze gelegenheid geen oppas had weten te vinden. Ik aaide het joch over zijn bol en rekende Romijn-Meijer een halve verdieping hoger af bij een afwezige, waarschijnlijk door het requisitoir van de filmmaakster getroffen, boekendealer en liep snel naar de Ramsjzaak even verderop aan de Nieuwezijds. Ik kocht er twee tijdens mijn vorige bezoek achtergelaten werken. Ik nam mijn drie verse aankopen mee in twee plastic tassen en liep steevast naar mijn vaste verblijfplaats aan de Torensteeg om…

Misja loopt me tegemoet de HEMA uit. “Lief, we gaan naar de Pizzatheek vanavond. Ik tracteer!” Ze lacht alle neerslachtigheid uit mijn duistere gemoed. Ik leg mijn door de koude verkleumde arm over haar schouder. We lopen zij-aan-zij de Kruisstraat over. “Meisje, heb je me ooit horen vertellen over de sprinkhanenplaag in Marokko in 1954? Bertus Aafjes heeft daar een mooi essay over geschreven, het begon…” Misja kijkt inmiddels afwezig in de etalages aan weerszijden. Een makelaar. “Even wachten lieverd.” zegt ze. Ik sta stil en doof mijn Aafjesverhaal met een observatie van een echtelijke ruzie aan gene zijde van de straat. Ik rust tegen de kille muur en denk “Mijn jongste dochter viert haar elfde verjaardag in mijn afwezigheid en in aanwezigheid van moeder, zus, stiefvader en- zus aan een koud strand. Wat zal ze over me denken?” Ik schrik op. Misja. “Je staat weer te denken!” zegt ze. Ik kuch verontschuldigend en geef haar gelijk. “Pizzatheekje doen?” “Ja!!” gilt mijn meisje. We lopen wild joelend de brug de gracht over.
Nog een glas wijn en ik ben er wel weer.

de schuwe redenaar en het vlugge meisje

January 11, 2015 Leave a comment

2015/01/img_0595.jpgZondagochtend. We kunnen maar slecht op gang komen. Terwijl de wind de vogels uit de tuin blaast, loop ik tegen half twaalf de slaapkamer uit, de trap af, de woonkamer door richting keuken om een kop koffie te zetten. Ons derde kindloze weekend achtereen. Het begint te bevallen. De rode kater loopt weer met me mee de trap op. Ik loop de slaapkamer weer in. Misja ligt nog in een diepe slaap. Hoeft ze niet te plassen? Ik schud haar wakker. “Even bijkomen hoor” mompelt ze, terwijl ik de koffie op haar nachtkastje neerzet. Ik schuif het rolgordijn open en zie enkele meeuwen stilstaan in de lucht. Ik duik het bed weer in en begin aan mijn koffie. De kater ligt gemoedelijk op mijn schoot. Ik pak het Grote Interviewboek van Van der Linden weer. Vandaag staan er twee interviews uit 1987 op het programma. Irene Vorrink en Robert Long. Als ze niet in dit boek zouden staan zou ik ze hoogstwaarschijnlijk nooit gelezen hebben. Ik had en heb bovendien niks met Robert Long. Maar Frenk van der Linden maakt er een mooi verhaal van. Eigenlijk draait alles om het verhaal.

De kater steekt zijn poot uit en legt deze op de onderste helft van de pagina die ik aan het lezen ben. Een roep om aandacht. Ik schuif het pootje weer behoedzaam van de pagina af. De kat vindt het best. Aandacht is aandacht. Om de haverklap geeft mijn ipad een piepsignaal af ten teken dat ik een mail heb ontvangen. Plichtmatig bekijk ik de berichtjes. Negen van de tien keer betreft het spam. De laatste keer dat ik kijk is het een reactie van Rootletoot, redacteur, op mijn nieuwste jazzschrijfsel. Hij heeft zijn bokkenpruik weer eens op en strooit in het wildeweg met rood in mijn artikel. De gebruikelijke ergernis over het ontbreken van zekere computertaal (de haakjes, accolades etc), en mijn berispelijke Engels. Ik besluit dat dit het laatste artikel is dat ik plaats op deze pretentieuze site. Mijn ergernis over de perfectionistische redacteur weegt niet op tegen het plezier van mijn achttienduizend lezers.

Halverwege de middag besluiten we de wind te trotseren. We rijden naar de bibliotheek, die ook op zondag geopend is en tevens een uitstekende koffiezaak herbergt. Ik tracteer Misja op een Cappuccino met cheesecake. We bekijken de studenten, zwervers en uitgebluste echtparen op leeftijd die hier hun zondagmiddag doorbrengen. Misja neemt wat tijdschriften door terwijl ik inspiratieloos achter mijn ipad Facebook aan het bestuderen ben. Na een half uur zeg ik:”kom we gaan” en we gaan.

We fietsen de Botermarkt over met de wind in de rug en bij de V&D plaats ik mijn fiets voor de deur. Misja heeft een andere bestemming op het oog en fietst verder. Ik zie haar rode jas nog even voordat ze rechtsaf de Grote Houtstraat in slaat. Ik loop de V & D door naar een van de aan beide kanten van de monumentale trap gesitueerde liften. De deur staat geopend en ik wandel naar binnen. Een stel met een baby in kinderwagen en twee blonde jongens van rond de tien en een bejaard echtpaar gaat mee. Ik trek aan de plank naast me, die als houvast moet dienen en bemerk dat deze los zit. “Nu moet je de boel niet meteen gaan slopen he?” zegt de oude man, die met zijn brede donkere montuur en door stijle, lange asgrijze haren rondom zijn kale schedel wel iets wegheeft van Sjef van Oekel. “Er ontbreekt een schroef” verontschuldig ik me. De man reageert niet meer en het blijft verder stil. We gaan in een ruk door naar het eindstation op de zesde verdieping. Ik stap als eerste de lift uit, blijf vijf seconden quasi geïnteresseerd bij de afgeprijsde paperbacks staan (literaire thrillerrommel) en loop, alsof ik alle tijd van de wereld heb, langs de smakelijk gepresenteerde pizza’s, biefstukken van de haas, smoothies en met kruidenboter gesmeerde halve baguettes. Bij de koeling met frisdrank, yoghurtdrank en bier blijf ik staan en haal er achteloos een beugelfles Grolsch uit. Ik loop langs de koffiebar en ga in de korte rij voor de kassa staan. De medewerker, een jongeman met pikzwarte baard en schort, maakt aan de lopende band grapjes. Als ik wil afrekenen vraagt hij mijn ID. Ik lach en hij lacht ook. “Grapje!” zegt hij. “Ouwe lul” denkt hij. “Lulletje”, denk ik terug. “Nou, geniet, maar drink met mate!” zegt hij terwijl ik mijn pinpas uit de paslezer haal. “Een gewaarschuwd mens telt voor twee” zeg ik, “dus ik haal er zo nog een”. Stilte. Ik loop de trap op en zie dat mijn favoriete plek in de hoek, met uitzicht op de Gedempte Oude Gracht/ het Verwulft en de daken en dakopbouwen van de panden aan de Botermarkt, vrij is. Ik pak mijn ipad uit mijn tas, maak verbinding, zet mijn koptelefoon op en luister via Spotify naar een concert van de Allman Brothers Band uit 1971, een jaar voor mijn geboorte.2015/01/img_0640.jpg

Tegenover me zitten een man en een vrouw van een jaar of veertig, een kalende, buikige, en een door jarenlange onvrede getekend, hangend, karakterloos gezicht en zijn vrouwelijke evenknie, haar slordig in de staart, zwarte gympen met glitters. Ze heeft een enorme derriere. Allebei dragen ze hun jas nog. Je kunt aan haar blik zien dat ze hem maar een sukkel vindt. Het is geen gesprek dat ze voeren, het is een verhoor. Ze vuurt korte zinnen op hem af die hij schouderophalend beantwoordt. Hij ontwijkt haar blik zo doeltreffend mogelijk. Als hij even naar beneden loopt om een glas jus te halen schiet haar hand naar haar smartphone. Ze gaat driftig tikken. Even kijkt ze op in mijn richting. Ja, ik kijk. Ze gaat verbeten verder met haar bericht.

Een kwartier later is het stel weg. Ik haal een verdieping lager nog een flesje blond bier en loop de trap op, terug naar mijn plek. Het is rustig en stil. Een groot contrast met de week voor de kerst, de week van Serious Request, toen mensen in hun onverzadigbare honger en dorst hun medebezoekers omver liepen op jacht naar een zojuist vrijgekomen tafel. Plotseling staat Misja aan de tafel. “Ik ben er klaar mee, ik ben moe.” zegt ze. “Nog even lieverd, ga nog maar bij de damesmode kijken, we zien elkaar wel op de begane grond bij de parfumafdeling.” Misja loopt snel weer weg. Ik drink mijn glas leeg. Ik pak mijn schrijfgerij in, trek mijn jas aan en kijk rond. Er zijn nog hooguit tien bezoekers aanwezig op deze enorme verdieping. Ik neem mijn glas en lege flesje mee. Als ik op de lift sta te wachten verschijnt er een Spaanstalige familie, vader en moeder en hun twee jongvolwassen zoons, een met een rossige en de andere met een pikzwarte baard. De geblondeerde moeder weet het het best. Ze lult het e.e.a. in het Spaans en vervolgens drukt ze op het knopje waarnaast “Parterre” staat vermeld. Halverwege zegt de zwarte baard plots tegen zijn broer “This is really the first time I am in a Dutch lift! (nee…hij zegt geen “elevator”).” De rossige reageert niet. “It is special….like a rollercoaster!” Ik weet dat de jongen probeert mijn aandacht te trekken, aangezien er naast zijn Spaanstalige ouders en broer niemand aanwezig is. Ik lach plichtsgetrouw en afwezig. Op de begane grond laat ik de aandachttrekker achter me en loop naar de parfumafdeling. Geen Misja. Ik bel. Misja is blijven steken op de eerste verdieping. “Kom je naar beneden?” vraag ik dwingend. Een minuut later zie ik mijn lachende rode jas op de roltrap.

We pakken de fiets en rijden de Gedempte Oude Gracht af. Ik heb de muziek van de Allman Brothers in mijn hoofd. Mies en ik waaien het centrum uit, de nieuwe stad in. Ook al zijn we pas halverwege de zondag, is wat mij betreft het verhaal wel voorbij. Ik denk aan het Shakespearecitaat van Irene Vorrink: “We are such stuff as dreams are made of; and our little life is rounded with a sleep.”….We rijden de verfrollerbrug over. “Waar denk je aan?” zegt Misja terwijl we de helling afrijden. “Aan het avondeten”, antwoord ik. Het leven is al ingewikkeld genoeg.

Categories: Uncategorized

Hondjes met capejes

January 10, 2015 Leave a comment

2015/01/img_0643.jpgDe storm heeft Mirosjabin niet weerhouden de bus te pakken naar Amsterdam. Woon-werkverkeer op onze vrije dag. Voor Misja staat een bezoek aan De Zaak op het programma. Ik start mijn literaire ronde bij Steven Sterk aan de Nieuwezijds. Er ligt een flinke voorraad restanten van utgeverijen, ramsj dus. Biografieen, bibliografien, de geschiedenis van het tafelkleed, een vuistdik boek over het jaar 1312, het ontstaan van de stadstaat, verborgen koninkrijken en verdronken clochards. Allemaal net niet interessant genoeg om mee te nemen dus. In ieder geval niet voor mij. Ik sta met een onsympathiek drukwerk, gefinanucierd door het Davidsfonds van de Letteren, over een mislukte kruistocht in mijn hand als een kleine, getinte man met een te lange regenjas, een randje haar en een ringbaardje iets onduidelijks begint te brabbelen tegen de jongste van de twee verkoopsters. Ik kijk in zijn richting. Hij doet zijn best om zichzelf verstaanbaar te maken. Een mengeling van Duits en Engels. Een lopend cryptogram. De verkoopster, die eruit ziet als iemand die het erg interessant vindt om met iemand uit een ander continent te praten, verstaat de als een clochard geklede woordstuntelaar wel. Aan de hand van de zinnen die de verkoopster herhaalt versta ik wat de man zegt. “So, you are looking for the university press?” “So you think it is located at Nieuwezijds number 300?””But there is no University Press located at Nieuwezijds 300?” “We’ll have a look at the phonebook.” Ze, een dertiger met overgewicht die haar omvangrijke lijf verhult in een te ruim zittend t-shirt en een jeans die enkele maten te groot is, loopt met de lastpak naar de Spuistraatkant van de zaak. Haar collega, een kortgeknipte grijsaard met een bril op haar strenge gezicht, loopt irritant met een stapel boeken achter me door het smalle paadje tussen de wandkast en een uitstaltafel naar de deur die leidt naar de trap naar de eerste verdieping. “No, University Press? UoM you said? No, is not here. There is one in Manchester” “Connection with Amsterdam?””Yes, maybe, but internet says no.” De kraalogige Afrikaan, die in de verte wel iets wegheeft van een vogel, druipt af.

Ik zie veel, maar besluit mijn portemonnee niet tevoorschijn te halen voor een aankoop waar ik toch niets mee doe. Natuurlijk. Richard III in een vertaling van Gerrit Komrij is leuk, maar niet noodzakelijk. Bovendien heb ik geen zin in de onvermijdelijke vraag of ik de Ramsjkrant al in mijn bezit heb, zonee, of ik hem dan thuis opgestuurd wil krijgen. Ik loop het trappetje af en waggel voor een fotografernde Aziaat het Spui over richting de universiteitsaula. Als ik de tram laat passeren draait een automobilist naast mijn zijn raampje naar beneden en vraagt me, verbazend genoeg in keurig Nederlands, of ik hem kan vertellen waar de dichtstbijzijnde parkeerplaats is. “Er is hier helemaal niets, en wat er is, is peperduur.” Ik antwoord hem dat ik het ook niet weet aangezien ik geen automobilist ben. “Maar gratis parkeren kun je hier in de stad wel vergeten.” zeg ik hem voordat ik oversteek. De baardman draait schouderophalend zijn raam weer omhoog en rijdt richting het Singel. Ik loop de Albert Heijn aan het Koningsplein in en haal een flesje coca cola light om mijn nadorst te lessen (en een doosje met jong belegen kaasblokjes omdat het er zo lekker uitziet) . Het is inmiddels 15:30. Ik steek de kaas in mijn volle rugzak. De rits wil niet volledig sluiten. Met mijn gedeeltelijk gesloten tas loop ik Scheltema in. Ik heb een trouwe lezer beloofd het egodocument van Esther Meijer, dochter van Ischa, voor hem aan te schaffen. Ik stap de lift in naar de vijfde verdieping. Ik struin langs gelezen boeken van verplichte schrijvers. Een trappetje lager loop ik op de verdieping waar enkele weken terug bewuste boekje lag. De uitlegtafel bevat dezelfde ramsj als de tafels bij Steven Sterk. Alles, behalve Esther Meijer. Ik loop alle tafels langs, maar het boekje ligt er niet. Een verkoper is in geen velden of wegen te verkennen. Moe loop ik richting lift. Deze verschijnt na een minuut. Op de eerste stopt het oude geval. Deze keer staat er geen rastaman klaar, maar een invalide meisje van een jaar of achttien. Ze strompelt met haar stok naar binnen terwijl ik de lift uit loop. Dan maar een trap naar beneden. Het meisje arriveert gelijktijdig met mij op de begane grond. Ik loop de zaak uit, met de wind mee naar de tramhalte. Klaar hier. Even later verschijnt de 5. Bij de Dam stap ik weer uit.

Ik loop de weg over,langs de auto’s, de Albert Heijn en het Magna Plaza naar de Torensteeg. Als ik van Zuylen binnenstap wordt mijn favoriete tafel net leeggeruimd. Verderop zie ik een slank blond meisje met onvaste hand een glas witte wijn inschenken. Als ze omkijkt groet ik haar. Ze loopt naar mijn tafel en ik bestel een glas Trappistenbier terwijl ik mijn laptop en koptelefoon uit mijn tas haal. “U gaat weer aan het werk?” zegt ze terwijl ze mijn tafel nog even afneemt. “Ach, we zien wel waar het schip strandt”, reageer ik gemaakt achteloos. Ik kijk haar na en zet me aan het schrijven. Ik leg het boekje van Rik Zaal over toerisme waar ik u al eerder over verteld heb naast me neer. Op de kaft prijkt een blozend duo, twee meisjes, in Volendammer kleding, een enorme foto van de haven op de achtergrond. Tegenover me zit een meisje, type Hannah Bervoets (altijd nieuwsgierig naar het perverse, maar verzekerd van de geborgenheid van een keurig gezin) , aan de thee. Haar vader (mag ik hopen) zit met zijn kale kruin naar mij gekeerd en heeft zijn glas rode huiswijn in de aanslag. Naast deze twee zit een man, een vijftiger met lang, dun, grijs haar, een heldere blik, een tatoeage op de plek waar hij vroeger een armketting droeg, met zijn blonde vrouw, enkele jaren jonger dan haar tafelpartner, maar niet minder doorleefd. Ik besluit me op mijn werk te richten. De telefoon gaat. Misja. “Ja, met mij? Ik ben nu op het Spui en ik ben doodmoe. Zullen we naar huis gaan? Zo afspreken op het CS?” Ik baal. “Ik zit net lieverd. Ben net begonnen. Kom anders gezellig hier!” Misja is stil.”Misja?” “Ja, ja, we kunnen ook over een uur op het station afspreken?” de vraag is een bevel. Misja heeft waarschijnlijk al weer een andere tijdsbesteding in het hoofd. De verlokkingen van de stad. Blij hang ik op. Ik mag een uurtje blijven.

2015/01/img_0642.jpg

Even voor 18.00 uur loop ik naar de tram. Traditiegetrouw zie ik de drie trams die mij naar het station kunnen vervoeren, nog voordat ik de halte bereik, kort achter elkaar vertrekken. Ik wacht een minuut of vijf totdat het volgende drietal verschijnt.

Bijna negen uur. Ik heb mijn sokken uit en leg aan de keukentafel de laatste hand aan mijn blog, terwijl Misja een paar meter verder achter de tv zit met haar ipad op schoot. Ze heeft meer oog voor de ipad dan voor de tv. Wes Montgomery speelt door mijn oortelefoon zijn West Coast Blues . Ik pluk aan mijn lange teennagels en breek ze stukje bij beetje af totdat ze van een lengte zij dat ze geen gaten meer in mijn sokken veroorzaken. Ik leg de restjes op tafel. Als ik klaar ben loop ik naar de keuken om een yoghurtbakje te pakken. Ik schuif de teennageltjes in het bakje. “Wil je chips lieverd?” zeg ik tegen de in gedachte verzonken Misja. “Is goed schat” zegt het meisje richting keuken en ze richt haar aandacht weer op haar ipad. Ik loop de kamer in en zet het bakje op de rand van de bank. “Dankje.” zegt ze, zonder haar hoofd op te heffen. Ik loop terug naar de keukentafel. “Gatver!!! LUL!” hoor ik uit de woonkamer. Ik wentel me in mijn grap, ga weer aan de keukentafel zitten en schenk mezelf nog een glas Jopenbier in. Ik zet mijn koptelefoon weer op. Oliver Nelson toetert “Stolen Moments”. We zijn weer thuis!

Categories: Uncategorized

Interview with Chuck Israels at 6 in top 15 best read interviews

January 3, 2015 Leave a comment

Interview with Chuck Israels at 6 in top 15 best read interviews All About Jazz.

Categories: Uncategorized

Interview Chuck Israels at 11 in top 12 best read articles

January 3, 2015 Leave a comment

Interview Chuck Israels at 11 in top 12 best read articles All About Jazz.

Categories: Uncategorized

Omer Klein: Theme and Variations

October 4, 2014 Leave a comment

Omer Klein: Theme and Variations.

Categories: Uncategorized

Jazz Reviews: The art of the modern trio – By Robin Arends — JazzTimes

October 4, 2014 Leave a comment
Categories: Uncategorized
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1,186 other followers

%d bloggers like this: